Belachelijke titel natuurlijk, want “boven de grote rivieren weten ze niet eens wat carnaval is”. Deze opmerking kreeg ik vele jaren geleden naar mijn hoofd geslingerd van een collega die in Limburg was opgegroeid. Elk jaar weer probeerde hij mij er toe te verleiden om eens af te zakken naar het zuiden des lands en de sfeer van het ‘echte’ carnaval te proeven.
Uiteindelijk, om mijn collega een plezier te doen (en zelf eens van het gezeur af te zijn) stemde ik toe en vertrok richting Limburg. De eerste uren had ik het aardig naar mijn zin. Er heerste een uitgelaten sfeer, iedereen was vrolijk, de praalwagens waren leuk tot soms zeer leuk en men dronk dat het een lieve lust was. Dat ik de lokale bevolking onder normale omstandigheden niet of nauwelijks kon verstaan deed weinig meer ter zake, want een volgelopen Limburger bleek net zo moeilijk te volgen als een volgelopen Amsterdammer.

Pas echt leuk werd het toen we ’s avonds de “11-kroegentocht” gingen lopen. Veel drinken plus de verplichting om alle 11 kroegen af te werken leverde een praktisch probleem op: hoe kom je van de ene kroeg naar de andere als je bijna niet meer op je benen kunt staan? De oplossing bleek te bestaan uit een serie touwen, gespannen van het begin- tot eindpunt. Bezopen of niet, het touw was je leidraad en leuning.
Naarmate ik meerdere kroegen had bezocht (zonder veel te drinken, want ik kan er niet zo goed tegen) vielen er steeds meer deelnemers aan de 11-kroegentocht af. Een deel ervan lag op straat, maar een aantal (nogal opvallend uitgedoste) deelnemers had ik al een tijdje niet meer gezien. Pas bij een bezoek aan de pisbakken van een lokale kroeg vond ik ze terug, op de grond, met hun hoofd vrijwel in de pisbak. Blijkbaar hadden ze het nèt niet gehaald. Niemand maakte zich druk om de verspreid liggende deelnemers, noch deed men ook maar enige poging om tijdens het pissen te voorkomen dat ze nog natter werden dan ze al waren.
Het jaar erop vroeg mijn collega of ik weer meeging. Ik heb maar bedankt.